De bijzondere rol van het Elisabeth Gasthuis

in Arnhem

Een onderbelicht aspect van de Slag om Arnhem vormt de bijzondere rol die het Elisabeth Gasthuis speelde tijdens de slag. Het ziekenhuis lag tussen zondag 17 september 1944 en dinsdag 19 september midden in het oorlogsgebied.

Terwijl aan de ene kant van de muren Engelse en Duitse soldaten probeerden elkaar dood te schieten, waren aan de andere kant van de muur Engelse en Duitse artsen bezig om het leven van de soldaten te redden.

Het ziekenhuis ging tijdens de Slag om Arnhem vier keer over in andere handen. Aan het begin van de avond van zondag 17 september was het van de Engelsen. Maandagochtend 18 september was het weer in Duitse handen.

De Engelsen heroverden het terrein in de vroege ochtend van dinsdag 19 september, maar in de loop van de dag werden de airbornes door de Duitsers definitief teruggedreven naar Oosterbeek.

Terwijl het oorlogsgeweld van buiten tot in de operatiekamers doordrong, waren Nederlandse, Duitse en Engelse artsen die dagen onverstoord naast elkaar aan het werk om het leven van de gewonde soldaten te redden.

16 Parachute Field Ambulance
De 1st Airborne Division van de Britten die bij Arnhem landden was uitgerust met diverse medische onderdelen, waaronder de 16 Parachute Field Ambulance. Dit onderdeel van de divisie bestond onder meer uit twee volwaardige operatieteams.

Doordat de vooraf afgesproken route van de mannen van John Frost vrijwel langs het Elisabeth Gasthuis liep, waren de Britse operatieteams bij de troepen van Frost ingedeeld.

Aan het begin van de avond bereikten ze de kruising tussen Bovenover en Onderlangs, waar op dat moment zwaar gevochten werd. Voor het ziekenhuis stonden de smeulende restanten van diverse Duitse voertuigen die kort daarvoor door Engelse soldaten vernietigd waren.

De mannen van Frost kozen de route langs de Onderlangs in de richting van de brug, terwijl de mannen van de 16 Parachute Field Ambulance onder vijandelijk vuur bovenover naar het Elisabeth Gasthuis renden.

Daar ontdekten zij dat ze niet de eerste soldaten in het ziekenhuis waren. Het medische bataljon van de 9e SS pantserdivisie was door de Duitse legerleiding ook naar het Elisabeth Gasthuis gestuurd. De Duitsers waren al druk bezig met de behandeling van Duitse en Engelse gewonden.

De Britten lieten de Duitsers weten dat zij officieel krijgsgevangen waren, wat de Duitse artsen voor kennisgeving aannamen. Er werd afgesproken dat de Duitsers de Duitse gewonden, en de Engelsen de Engelse gewonden zouden behandelen.

Gewonden waren er in overvloed. Overal in en rond Arnhem werd zwaar gevochten. Die gevechten vonden ook in alle hevigheid plaats rond het ziekenhuis zelf.

Generaal Urquhart
De Britse arts Alexander Lipmann-Kessel geloofde zijn ogen niet toen hij die avond op een gegeven moment uit het raam keek en in de Alexanderstraat generaal Roy Urquhart zag rennen.

Omdat de Britse radio’s niet werkten, was Urquhart zelf naar de voorste linies gereden om te weten hoe de situatie er voor stond. Urquhart ontkwam ternauwernood aan gevangenschap door zich anderhalve dag lang op de zolder van een huis aan de Zwarteweg te verstoppen.

Nederlands verplegend personeel aan het werk in de chaos voor de deur van het Elisabeth Gasthuis tijdens de Slag om Arnhem.

Aanval voor het ziekenhuis
Op maandag 18 september leek het front zich te stabiliseren. Hoewel her en der aan de westkant van Arnhem nog gevochten werd door Britse para’s die hardnekkig weigerden om zich terug te trekken, waren de Engelsen onder grote Duitse druk teruggedreven naar Oosterbeek.

In de vroege ochtend van dinsdag 19 september waren de Engelsen echter weer terug. Met duizend man probeerden zij via de Bovenover en de Onderlangs een doorbraak in de richting van de brug te forceren.

De Engelsen kwamen tot aan het gemeentemuseum, maar waren met hun lichte wapens niet opgewassen tegen de tanks die de Duitsers tegen hen inzetten. Hoewel er net als twee dagen ervoor hevig gevochten werd voor de deuren van het ziekenhuis, werd het ziekenhuis zelf amper gebruikt om zich te verschansen.

Eén SS-er had wel het lef om binnen te dringen in het ziekenhuis en over de hoofden van de patiënten heen op de Engelsen buiten het ziekenhuis te schieten. Naar het schijnt is de SS-er door een woedende (en moedige) Nederlandse arts het ziekenhuis uit gezet.

Na de aanval op dinsdag, keerden de Britse soldaten niet meer terug in de buurt van het ziekenhuis. De strijd vond plaats in Oosterbeek. De relatieve rust gaf de Duitsers de gelegenheid om in het ziekenhuis orde op zaken te stellen.

Alle Britse gewonden die in staat waren om te lopen, werden afgevoerd. Zij werden vergezeld door het grootste gedeelte van de Britse hospikken. Alleen de twee Britse operatieteams mochten blijven, onder supervisie van het Duitse medische bataljon.

Doordat de strijd zich had verplaatst naar Oosterbeek, waren de Britten niet in staat om hun gewonden naar het Elisabeth Gasthuis af te voeren. Toch werd op donderdag 21 september nog een groot aantal Britse gewonden in het ziekenhuis binnengebracht.

Dit waren de gewonde soldaten van kolonel Frost, die zich bij de brug hadden moeten overgeven.

Brandy
Ondertussen was de strijd in Oosterbeek verbeten. De Britten hielden stand, maar tegen een hoge prijs. Dagelijks sneuvelden 200 Britten en raakten 400 soldaten gewond.

Die werden behandeld bij de verbandposten, waarvan de hotels Schoonoord aan de Utrechtseweg en de Tafelberg de belangrijkste waren. De meeste gewonden werden echter uit nood verzorgd bij mensen thuis. De verbandposten waren overvol.

Na een week strijd concludeerde kolonel Graeme Warrack, die aan het hoofd stond van de medische afdeling in Oosterbeek, dat het zo niet langer kon. Naar schatting bevonden zich binnen de Britse linie ongeveer 1.500 gewonden, waarvan er veel er slecht aan toe waren.

Warrack vroeg aan Urquhart of hij met de Duitsers een staakt het vuren mocht afspreken om de gewonden af te voeren. Toevalligerwijs had majoor Egon Skalka, het hoofd van het Duitse medische korps, die ochtend eveneens geconcludeerd dat er iets met de gewonden in Oosterbeek moest gebeuren.

De Duitse legerarts Skalka was met een buitgemaakte Britse jeep met op de motorkap een Britse krijgsgevangene die met een rode kruisvlag zwaaide naar de Britse verbandplaats Schoonoord gereden. Daar trof hij kolonel Warrack.

Samen reden de twee artsen, vergezeld door de Nederlandse arts Van Maanen naar het hoofdkwartier van de Duitse generaal Bittrich in Arnhem.

Bittrich gaf Warrack en Skalka toestemming voor een staakt het vuren. Om 15.00 uur op zondag 24 september zou een twee uur durend staakt het vuren ingaan en zou een deel van de gewonden afgevoerd worden. De Duitsers beloofden dat zij voor vervoer zouden zorgen.

Bij zijn vertrek kreeg kolonel Warrack nog een fles brandy mee van Bittrich: “Voor uw generaal.”

Staakt het vuren
Majoor Skalka reed daarna met Warrack via een kleine omweg terug naar Oosterbeek. De Duitse arts reed eerst langs het Elisabeth Gasthuis. Daar gaf hij Warrack en Van Maanen de opdracht om zoveel morfine en andere hulpgoederen mee te nemen als zij konden dragen.

Warrack ging in het ziekenhuis langs bij zijn collega Alexander Lipmann-Kessel om hem op de hoogte te brengen van de komst van honderden gewonden later die middag.

Lipmann-Kessel was ontzet toen hij hoorde over de hopeloze strijd die de Britten in Oosterbeek voerden. De hele week lang was hij zo druk bezig geweest met opereren, dat hij zich niet had afgevraagd hoe de strijd eigenlijk verliep.

Die middag ging om 15.00 uur inderdaad een staakt het vuren in, wat door beide partijen werd gerespecteerd. De Duitsers hielden zich aan hun afspraak en hadden alle ambulances, jeeps en andere auto’s die geschikt waren voor gewondenvervoer naar de Britse linies gestuurd.

Gewonden die daartoe in staat waren, werden lopend naar het Elisabeth Gasthuis gestuurd. De gewonden die met de auto werden afgevoerd, werden naar Apeldoorn gebracht. In totaal werden 450 gewonden afgevoerd. De Duitsers lieten zich van hun beste kant zien.

Oorlogsmisdaad
Het beeld van de hoffelijke Duitsers werd echter geheel teniet gedaan door een oorlogsmisdaad die later die dag op de stoep voor het Elisabeth Gasthuis plaatsvond.

Kapitein Brian Brownscombe, een arts van de South Staffords, stond in de late middag van 24 september voor de deur van het Elisabeth Gasthuis even uit te rusten. Een SS-er die langskwam schoot de Britse arts zonder pardon dood.

Na de oorlog wordt de SS-er opgespoord. Karl-Gustav Lerch werkte als oorlogscorrespondent voor de SS. Hij verdedigde zich eerst door te zeggen dat een SS-officier hem bevel had gegeven. Later zei hij dat hij dronken was. De SS-er kreeg de doodstraf.

Na de slag
Aan de Slag om Arnhem kwam op dinsdag 26 september 1944 een einde met de terugtrekking over de Rijn van de resterende para’s. De Britse gewonden die in Oosterbeek waren achtergebleven werden samen met de artsen van 16 Parachute Field Ambulance overgebracht naar het legerhospitaal in Apeldoorn.

Kolonel Graeme Warrack en Alexander Lipmann-Kessel bleven daar tot oktober de Britse gewonden behandelen. Doordat steeds meer herstelde Britse soldaten werden afgevoerd naar krijgsgevangenkampen, concludeerden Warrack en Lipmann-Kessel allebei dat hun taak erop zat en het tijd was om naar huis te gaan.

Lipmann-Kessel ontsnapte op 15 oktober. Warrack ontsnapte op 17 oktober. Beide artsen bereikten na een lange zwerftocht uiteindelijk de geallieerde linies.

Lipmann-Kessel overleed in 1986. Hij wilde na zijn dood graag begraven worden tussen zijn strijdmakkers op de airborne begraafplaats in Oosterbeek. Dat verzoek is afgewezen omdat hij niet tijdens de Slag om Arnhem is omgekomen. Lipmann-Kessel ligt daarom begraven op de algemene begraafplaats in Oosterbeek.

Post Scriptum 1:
In het EventTheater aan de Rozensteeg 3 in Oosterbeek is tussen 15 en 17 september een kopie te zien van een Brits veldhospitaal tijdens de Slag om Arnhem. Het ‘Airborne Hospitaal’ is ingericht met de originele medische uitrusting.

Post Scriptum 2:
Wie meer wil weten over de belevenissen van de artsen tijdens de Slag om Arnhem:

Kolonel Graeme Warrack schreef na de oorlog het boek ‘Tocht door het Duister’, dat tweedehands nog te krijgen is. Het boek werd in 1976 verfilmd onder de titel ‘The Story of an escape‘.

Alexander Lipmann-Kessel schreef ‘Surgeon at Arms’, dat enige jaren geleden opnieuw is uitgegeven en nog verkocht wordt.